Brief Erica Ritzema: reactie op bezoek aan Inspectie voor het Onderwijs

Zwartboek – Verhaal 8 – WSK-kleuteronderwijs
17 februari 2013
Scholen worstelen met zorgplicht
5 april 2013
Laat alles zien

Sinds eind 2012 is de WSK in gesprek met de Inspectie voor het Onderwijs. Het zijn open en intensieve gesprekken waarin altijd meer gezegd had willen zijn dan dat er tijd was om dat te doen. Om die reden heeft Erica Ritzema, op de van haar bekende gedegen manier, de vraag van de Inspectie wat er wel en niet goed gaat afgezet tegen de kwaliteitsaspecten die de Inspectie hanteert.Daarbij heeft ze eerst geconstateerd wat er speelt en dat beoordeeld, en vervolgens getoetst aan die kwaliteitsaspecten.

Het stuk geeft een goed overzicht van de spanningen die er zijn tussen theorie en praktijk. In gezamenlijkheid moeten we daar een voor ieder werkbare vorm voor ontwikkelen.

—————————————-
27 maart 2013 Bezoek aan de Inspectie voor het Onderwijs

door de Werkgroep en Steungroep Kleuteronderwijs (WSK)

Conclusie vooraf: Inspectie van het onderwijs is in principe een goede zaak om de kwaliteit van het onderwijs te handhaven.

Ons, de WSK, werd gevraagd om aan te geven wat we wél en wat we níét goed vinden en dat willen we hieronder graag doen. We komen vele tegenstrijdigheden tegen tussen algemene standpunten en concreet gebruikte beoordelingsprocedures.

Op voorhand constateren we, op basis van de toegezonden stukken, dat de nieuwe brochure die de Inspectie in de maak heeft, totaal voorbij gaat aan de behoefte van het veld aan helderheid t.a.v. de eisen van de Inspectie. Er staan teveel overlappende herhalingen in om er snel uit wijs te kunnen worden. Er zou een verkorte versie moeten komen, ontdaan van alle omstandig uitgeschreven procedures en daarvan dan weer de verantwoording, zodat onderwijsmensen snel het antwoord op hun vraag kunnen vinden.
Conclusie: NIET GOED

Het onderscheid tussen attentiepunt, verbeterpunt en voorbeeldfunctie is wel heel duidelijk geformuleerd.
Conclusie: GOED

In het hele verhaal ontbreekt de menselijke maat in de benadering door de Inspectie van scholen en leerkrachten: dat vraagt om een aantal kanttekeningen. De gestelde eisen worden steeds hoger zonder dat duidelijk is waarom (omdat kinderen zich sneller zouden ontwikkelen? en op grond waarvan is dat een vaststaand feit?).
Leerkrachten zijn echter geen robots, het blijven mensen. De opmerking van een leerkracht die het gevoel had een tweeling te moeten zijn om te kunnen voldoen aan alle eisen spreekt voor zich.
Kernpunt is dat de bevindingen alleen uitgaan van resultaten, waarbij nauwelijks tot geen aandacht is voor de oorzaken en de processen die tot die resultaten hebben geleid. Een resultaat is onderdeel en eindpunt van een proces, maar in het huidige officiële onderwijsbeleid, waar de Inspectie een onlosmakelijk onderdeel van is, worden resultaten volledig losgekoppeld van de eraan voorafgaande processen. Zo is zelfs de inhoud van de cito-kleutertoetsen verzwaard en worden scholen op de uitslagen daarvan beoordeeld. Er wordt niet gedifferentieerd.
Conclusie: NIET GOED
In strijd met kwaliteitsaspect 6 – De leraren stemmen aanbod, instructie,verwerking en onderwijstijd af op verschillen in ontwikkeling tussen kinderen.Helaas lijkt het wel, alsof de Inspectie de belangrijkste hinderpaal vormt om tot goed onderwijs te komen, want haar procedures staan daarbij in de weg. (* – zie noot onderaan tekst)

Immers, de kleuters die onderworpen worden aan deze toets kunnen in leeftijd variëren van 6.3 tot 5.4 jaar. De laatste groep heeft 11 maanden minder levenservaring. Het is niet vreemd dat deze jongere kleuters lager scoren aangezien zij zo’n 20% korter in het leven staan dan sommige van hun toetsmakkers en dat is op die leeftijd een gigantisch verschil. De resultaten hebben vaak dan ook niets met intelligentie maar met rijpheid van doen. Het op die resultaten vervolgens toepassen van een glijdende schaal, om zogenaamd dat leeftijdsverschil op te vangen, is niet meer dan nattevingerwerk, en maakt alleen maar duidelijker dat deze vorm van toetsen niet deugt.
Conclusie: NIET GOED
In strijd met kwaliteitsaspect 6.4 – De leraren stemmen […] onderwijstijd af op verschillen in ontwikkeling tussen de leerlingen. Dít zou de Inspectie moeten controleren en dit is ook wat de WSK wil.

Scholen hebben geen enkele mogelijkheid om invloed uit te oefenen op de leeftijd van de kleuterpopulatie die zij binnen krijgen, want ze hebben niets te maken met geboortebeperking van ouders. Ze mogen gaan werken met de mensjes, die door hun ouders worden aangemeld, ongeacht hun geboortedatum. Directeuren van naburige scholen zouden een regeling kunnen treffen om jonge kleuters met elkaar uit te wisselen, zodat scholen met hun aantal zeer jonge leerlingen van groep twee buiten de risicozone blijven.
Conclusie: HET IS UITERAARD NIET GOED DAT ZOIETS NODIG IS VOOR DE LEEFTIJDGEBONDEN LEERLINGAANNAME WAAR GEEN INVLOED OP UITGEOEFEND KAN WORDEN.
In strijd met kwaliteitsaspect 6 – De leraren zouden de leerlingen voldoende tijd moeten geven om zich het leerstofaanbod eigen te maken, wat een punt van overeenkomst is met wat de WSK voorstaat,maar daar krijgen ze de ruimte niet voor.

Het tijdstip waarop wordt getoetst is voor die hele jonge oudste kleuters veel te vroeg. Een kind van 5.4 hoeft nog niet te kunnen synthetiseren, maar wordt daar wel op afgerekend.
Conclusie: NIET GOED
In strijd met kwaliteitsaspect 6 – De leraren stemmen aanbod […] af op verschillen in ontwikkeling […].Dat is ook wat de WSK wil verwezenlijken. Helaas werkt de Inspectie hierbij in tegen haar eigen theoretische principes, aangezien de Inspectie vanuit een papieren werkelijkheid de levende werkelijkheid overvleugelt.
In strijd met kwaliteitsaspect 5 – De leraren leggen duidelijk uit, organiseren de onderwijsactiviteiten efficiënt en houden de leerlingen taakbetrokken. Als het lesaanbod te hoog gegrepen is, kan het kind onmogelijk taakbetrokken blijven.

Op sommige scholen worden kleuters daardoor binnen gehouden tijdens het buitenspel om ze ‘bij te werken’, terwijl juist deze kinderen in hun ontwikkeling erg gebaat zijn bij buitenspelen.
Conclusie: NIET GOED. HOE WIL DE INSPECTIE DIT OPSLUITEN VOORKOMEN?
In strijd met kwaliteitsaspect 4 – Het schoolklimaat wordt gekenmerkt door veiligheid en respectvolle omgangsvormen. Het kind wordt niet respectvol behandeld, want het wordt geïsoleerd van de groep en wordt belemmerd in zijn sociale en motorische ontwikkeling, omdat het tot elke prijs moet voldoen aan iets waar het niet aan toe is. Dat levert geen veilig gevoel op, maar gebrek aan zelfvertrouwen en een gevoel van onzekerheid.
In strijd met kwaliteitsaspect 8.1 – De school signaleert vroegtijdig welke leerlingen zorg nodig hebben. Deze kinderen hebben geen extra zorg nodig, maar moeten gewoon de ruimte krijgen zich in hun eigen tempo te kunnen ontwikkelen.

Ook worden er programma’s gemaakt door leerkrachten, waarin alle vragen van de toets aan bod komen en structureel worden geoefend om de scores te verhogen. Dat levert dus een totaal vertekend beeld op.
Conclusie: NIET GOED. HOE WIL DE INSPECTIE DIT ZIEN TE VOORKOMEN?
In strijd met kwaliteitsaspect 7.2 – De leraren volgen en analyseren systematisch de voortgang in de ontwikkeling van de leerlingen. Dat werkt niet als resultaten worden geforceerd en ge(re)produceerd op basis van geheugentraining in plaats van ontwikkeling. Geen wonder dat die kleuters na zes weken zomervakantie de helft van de ‘letterkennis’ weer kwijt zijn.
In strijd met kwaliteitsaspect 6.2 – De leraren stemmen de instructie af op verschillen in ontwikkeling tussen de leerlingen.

Er zijn leerkrachten die zich helemaal niet aan de tekst van de toetsafname houden, maar de vragen met eigen woorden verduidelijken om betere resultaten te bewerkstelligen.
Conclusie: NIET GOED. HOE WIL DE INSPECTIE DIT VOORKOMEN? HOE KUNNEN DIT SOORT ZAKEN EIGENLIJK BINNEN DE INSPECTIE-CONTROLE VALLEN? (Er is sprake van een Diederik Stapel-effect).
In strijd met kwaliteitsaspect 7.1 – De school gebruikt een samenhangend systeem van genormeerde instrumenten en procedures voor het volgen van de prestaties en de ontwikkeling van de leerlingen. Men gebruikt dan wel genormeerde toetsen, maar de interpretatie deugt niet, omdat de afname niet correct plaats vindt om de resultaten te verfraaien. De oorzaak ligt in het feit dat de toetsen niet aansluiten bij het ontwikkelingsniveau, omdat de verschillen niet worden meegenomen.

De Inspectie-eisen zorgen dus voor krampachtige pogingen om aan de eisen te blijven voldoen, omdat het veld geregeerd wordt door angst voor een (slechte/negatieve) beoordeling, want die kan leerlingen kosten. Op menige school hebben tussen half januari en half februari in de kleuterbouw negentig toetsmomenten plaatsgevonden. Daardoor heerst er een maand lang onrust, omdat er geschoven moet worden met leerlingen en ruimtes om de toetsafname organisatorisch geregeld te krijgen. Word je trouwens net in die periode vier, dan word je gelijk bij anderen ondergebracht, omdat jouw juf moet toetsen en dat vindt een vierjarige helemaal niet fijn.
De hele maand staat het lesgeven dus op een uiterst laag pitje om de toetsuitslagen gerealiseerd te krijgen. Dat is eerder kwaliteitsverlies dan kwaliteitsverhoging te noemen, maar er wordt wel voldaan aan de eis van de Inspectie. Er is een oneerlijke toets afgenomen, die weinig tot niets toevoegt, maar wel in het leerlingvolgsysteem kan worden genoteerd, en dat is verplicht.
Conclusie: NIET GOED
In strijd met kwaliteitsaspect 3.1 – De leraren maken efficiënt gebruik van de geplande onderwijstijd.Behalve dan gedurende de tijd waarin de school vanwege allerlei toetsen alleen ‘mager’ onderwijs kan aanbieden.

Dat geldt overigens ook voor het in kaart brengen van alle ontwikkelingslijnen, waardoor kinderen om de beurt afgevinkt dienen te worden en er op dat moment al weer geen onderwijs plaats vindt.
Conclusie: NIET GOED
In strijd met kwaliteitsaspect 3.1 – De leraren maken efficiënt gebruik van de geplande onderwijstijd.
In strijd met kwaliteitsaspect 5.3 – De leerlingen zijn actief betrokken bij de onderwijsactiviteiten.

Uit de praktijk van alledag: Een leerkracht mocht op een prachtige dag met veel sneeuw gaan invallen in een kleutergroep en had met behulp van het rooster een prachtige lesdag voorbereid, die helemaal was gerelateerd aan dat enorme pak sneeuw. Er was zelfs een slee mee naar school genomen. Toen de leerkracht in het lokaal kwam, lag er een to do-lijst op het bureau klaar en bleek dat naar buiten gaan niet aan de orde was: er moest in de gymzaal een vaardigheid afgevinkt worden. Drie kwartier lang moesten de kinderen een voor een naar voren komen om hun kunstje te vertonen, en in de tussentijd ‘rommelde’ de rest maar wat aan.

Dat is geen aansluitend onderwijs dat ingaat op de belevingswereld van kinderen, maar kwaliteitsverlies, en totaal niet in het belang van goed onderricht aan de kleuters.
Conclusie: NIET GOED
In strijd met kwaliteitsaspect 5.3 – De leerlingen zijn actief betrokken bij de onderwijsactiviteiten. Aanrommelen is geen erkende, noch een erg effectieve onderwijsactiviteit.

Er zijn ook scholen, die hun leerkrachten vrij roosteren om te registreren, maar aangezien die leerkrachten op dat moment echt niet alle kinderen met hun vaardigheden opgeslagen hebben in hun hoofd (want het zijn ook maar mensen), blijkt dit vaak een kwestie van nattevingerwerk te worden.
Conclusie: NIET GOED
In strijd met kwalteitsaspect 7 – De leraren volgen systematisch de vorderingen van de leerlingen. Dat lukt niet op deze wijze en het is beter om minder, maar wel goed te volgen dan een registratiesysteem te hanteren dat niet werkbaar is.

Er moet een veel korter en makkelijk hanteerbaar registratiesysteem komen, waar leerdoelen aan het eind van een proces worden afgevinkt en niet vooraf, zoals nu gebeurt. Leidsters zitten vele uren vaardigheden af te vinken. Iets waar bij het invoeren van de leerlijnen al voor gevreesd werd, maar wat volgens de schoolbegeleiders nooit zou mogen gebeuren, is nu aan de orde van de dag. Het is niet nodig zo uitgebreid te registreren, omdat normale kleuters zich volgens een bepaald stramien ontwikkelen, en dit kan helaas niet zó dwingend vastgelegd worden, dat ze allemaal dezelfde vordering maken op hetzelfde tijdstip, omdat kleuters nu eenmaal kleine mensen zijn.
Conclusie: NIET GOED
En opnieuw in strijd met kwaliteitsaspect 6.1 – De leraren stemmen de aangeboden leerinhouden af op verschillen in ontwikkeling tussen de leerlingen.

Zoals de brochure van de Inspectie korter moet, moet ook het in kaart brengen effectiever worden, zodat er weer meer tijd overblijft voor goed onderwijs. Het dwangmatig willen beheersen van het onderwijs, in plaats van zorgvuldig behéren, doet alle mensen tekort, zowel de leerkrachten als de leerlingen. Er wordt te weinig beleefd en verwonderd, wat nou net een belangrijke voorwaarde is om je dingen eigen te kunnen maken.
Conclusie: NIET GOED
Wederom in strijd met kwaliteitsaspect 6.1 – De leraren stemmen de aangeboden leerinhouden af op verschillen in ontwikkeling tussen de leerlingen. De leerinhoud wordt namelijk niet afgestemd op de doelgroep, maar op het leerdoel.

Dat is ook de, gedeelde, kritiek op het interactief voorlezen van VVE, want dat gaat voorbij aan het samen beleven van de inhoud van een verhaal.
Conclusie: NIET GOED
Wederom in strijd met kwaliteitsaspect 6.1 – De leraren stemmen de aangeboden leerinhouden af op verschillen in ontwikkeling tussen de leerlingen. Leerinhoud afgestemd op doel in plaats van doelgroep.

Hetzelfde geldt voor het hanteren van het directe instructie-model bij kleuters, dat pretendeert opbrengstgericht te zijn maar de opbouw ‘korte terugblik > vertellen over en aanbieden van nieuwe leerstof > klassikaal inoefenen > individueel inoefenen > evaluatie’ gaat voorbij aan de talenten van leerkrachten en leerlingen en is zó weinig creatief dat kleuters daar geen baat bij hebben. Het werkt door de verkeerde benadering opbrengstverlagend, want het is helemaal niet afgestemd op de doelgroep, maar op het doel.
Conclusie: NIET GOED
In strijd met kwaliteitsaspect 6 – De leraren stemmen […] af op verschillen in ontwikkeling […]. Die afstemming vindt juist niet plaats.

Deze groep mensjes, die nog leert vanuit het hele lichaam en het gevoel heeft dat alles mogelijk is, heeft behoefte aan creatieve en fantasierijke instructie, want dan pas raken ze geboeid.

HOE GAAT DE INSPECTIE DAT DUSDANIG BEVORDEREN, DAT WORDT VOLDAAN AAN DE ONDERWIJSBEHOEFTE(N) VAN KLEUTERS?

Er moet opnieuw vertrokken worden vanuit de belevingswereld van de kleuter en die wereld dient de klas binnengehaald te worden, in plaats van vanuit leerlijnen opgebouwde gekunstelde methodes aan te schaffen, die vervolgens toch weer naar zolder verdwijnen, omdat ze geen aansluitend maar afgeroomd onderwijs aanbieden.
Conclusie: NIET GOED
Wederom in strijd met kwaliteitsaspect 6 – De leraren stemmen aanbod, instructie, verwerking en onderwijstijd af op verschillen in ontwikkeling tussen de leerlingen.
Ook in strijd met kwaliteitsaspect 5 – De leraren leggen duidelijk uit, organiseren de onderwijsactiviteiten efficiënt en houden de leerling taakbetrokken.

Het zou enorm kostenbesparend én werkplezier-verhogend werken, als leraren achter hun aanbod en instructie konden staan. Dat valt niet mee als ze niet mogen vertrekken vanuit de leerlingen maar dat vanuit de methode moeten doen. Er wordt door [grote] mensen met [kleine] mensen gewerkt en als dat zorgvuldig gebeurt, bereiken scholen die leerdoelen op een verantwoorde en eerlijke wijze. Dan hoeven ze ook niet de hand te lichten met gegevens om een schijnwereld te creëren, waarin ze zogenaamd, maar niet echt, voldoen aan de eisen van de Inspectie.

Conclusie: NIET GOED. WAT GAAT DE INSPECTIE DAARAAN DOEN? DIT IS EEN HEEL ZORGELIJKE ONTWIKKELING!
In strijd met kwaliteitsaspect 9.3 – De school evalueert regelmatig het onderwijsleerproces.
De gegevens zijn echter niet betrouwbaar, omdat de normering niet is aangepast aan de ontwikkelingsbehoeften van de individuele leerling, maar aan de leerlijnen.

Ook moet de Inspectie toezicht gaan houden op het lesaanbod van de Pabo’s, zodat de studenten niet ongecoördineerd spartelend in de zee van het kleuteronderwijs terecht komen. Kleuters krijgen nu niet het onderwijs waar ze recht op hebben, en dat moet veranderen. Het is belangrijk om de hele akker te verzorgen en niet alleen maar het cognitieve een-vijfde deel. Op deze manier wordt namelijk een groot deel van de mens in ontwikkeling in de kiem gesmoord en dat komt zeker onze toekomstige samenleving niet ten goede. Bovendien worden de mensen, die eraan mee moeten werken, er niet gelukkig van.

Conclusie: NIET GOED
In strijd met kwaliteitsaspect 9.1 – De school heeft inzicht in de onderwijsbehoeften van haar leerlingenpopulatie. Dat klopt niet, maar dat kan ook helemaal niet als je niet opgeleid bent om daar inzicht in te hebben.

Het zou fijn zijn als de relatie tussen Inspectie en het kleuteronderwijs plaats kan vinden op basis van wederzijds vertrouwen en samenwerking in plaats van angst, zodat gezamenlijk kwalitatief goed onderwijs aangeboden wordt. Daar zijn we tenslotte allebei vóór. Deze kunstmatig in stand gehouden schijnwerkelijkheid moet afgeschaft worden, want daardoor worden beide partijen ongeloofwaardige spelers in een slecht toneelstuk.
Conclusie: NIET GOED
In strijd met kwaliteitsaspect 4 – Het schoolklimaat wordt gekenmerkt door veiligheid en respectvolle omgangsvormen.

Erica Ritzema | Tilburg

Met enige medewerking van Coen Eggen

(*) De kwaliteitsaspecten, waarnaar hierboven steeds verwezen wordt, komen uit TOEZICHTKADER PO/VO 2012, d.d. 1 juli 2012, en zijn te vinden op pagina 28-30 onder de kop KERNKADER PRIMAIR ONDERWIJS.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *